Jappenkamp in Indonesië: wat deze interneringskampen waren en wie er zaten

Een jappenkamp in Indonesië was een Japans interneringskamp tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar Nederlanders en andere geallieerde burgers en militairen gevangen werden gehouden na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in 1942. De naam “jappenkamp” is de Nederlandse volksnaam voor deze kampen. Ze stonden onder streng Japans militair toezicht en de omstandigheden waren zwaar: gebrek aan voedsel, ziektes en geweld waren dagelijkse realiteit.

Voor tienduizenden Nederlandse mannen, vrouwen en kinderen betekende de bezetting het einde van hun leven in de kolonie en het begin van jaren gevangenschap. De kampen lieten een diepe wond achter in de Nederlandse en Indisch-Nederlandse gemeenschap, een wond die tot op de dag van vandaag voelbaar is.

Hoe de jappenkampen in Indonesië ontstonden

Op 8 maart 1942 capituleerde het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) voor Japan. Binnen enkele weken begonnen de Japanners met het interneren van de Europese bevolking op Java, Sumatra, Borneo en de andere eilanden van de archipel. Eerst werden militairen opgepakt, daarna ook burgers: mannen werden van hun gezinnen gescheiden en in aparte kampen ondergebracht. Vrouwen en kinderen kwamen in eigen vrouwenkampen terecht.

De kampen waren verspreid over het hele voormalige Nederlands-Indië, het huidige Indonesië. Bekende locaties waren onder andere Tjideng en Kramat in Batavia (het huidige Jakarta), Ambarawa op Java en Aek Pamienke op Sumatra. Scholen, gevangenissen, fabrieken en woonwijken werden omgebouwd tot interneringskampen, omgeven door bamboeomheiningen of prikkeldraad.

Wie werden geïnterneerd in de jappenkampen?

De Japanners interneerden iedereen die zij als vijandelijk beschouwden. Dat waren in de eerste plaats Nederlandse en andere Europese burgers, maar ook Indo-Europeanen (mensen van gemengde Europese en Aziatische afkomst) werden in veel gevallen opgepakt. Of iemand geïnterneerd werd, hing vaak af van hoe de Japanse autoriteiten iemands afkomst beoordeelden, wat leidde tot grote willekeur en onzekerheid.

Militairen van het KNIL en de Nederlandse marine belandden in krijgsgevangenenkampen, apart van de burgerbevolking. Velen van hen werden als dwangarbeider ingezet, soms ver buiten Indonesië, bijvoorbeeld bij de aanleg van de Birmaspoorweg in Thailand en Birma. De omstandigheden daarvoor waren nog zwaarder dan in de burgerkampen.

Het leven in een jappenkamp in Indonesië

De dagelijkse omstandigheden in de kampen waren schrijnend. Geïnterneerden leefden opeengepakt in kleine ruimtes, met weinig voedsel en nauwelijks medische zorg. Rijst was de basismaaltijd, maar de porties waren veel te klein. Ziektes als dysenterie, malaria, tuberculose en beri-beri eisten veel slachtoffers, zeker onder ouderen en kinderen.

Kampbewoners moesten buigen voor Japanse bewakers. Wie dat vergat of te langzaam deed, riskeerde een klap of een andere straf. Vrouwen in de vrouwenkampen organiseerden zelf het kampbestuur zoveel mogelijk, zorgden voor zieken en probeerden onderwijs aan de kinderen te geven. Ondanks de verschrikkingen waren er ook momenten van samenhorígheid en onderlinge steun.

Voedsel was niet de enige schaarste. Kleding sleet en werd niet vervangen. Medicijnen waren er nauwelijks. Brieven van familieleden buiten het kamp kwamen zelden door. Veel kinderen groeiden op zonder hun vaders en hadden aan het einde van de oorlog soms drie jaar of langer hun vader niet gezien.

Hoeveel mensen zaten in de Japanse kampen?

Exacte aantallen zijn moeilijk te geven, maar algemeen wordt aangenomen dat in totaal meer dan 100.000 mensen in de jappenkampen in Indonesië gevangen zaten. Onder hen waren tienduizenden kinderen. Een aanzienlijk deel van de geïnterneerden overleefde de kampen niet: schattingen lopen uiteen, maar het sterftecijfer onder geïnterneerden was hoog, met name in de laatste oorlogsjaren toen de voedselschaarste het ergst was.

Het einde van de kampen en de nasleep

Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 kwamen de kampen niet meteen vrij. In Indonesië brak direct daarna de onafhankelijkheidsstrijd uit. Indonesische nationalisten riepen op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid uit. Voor veel kampoverlevenden bracht dat een nieuwe gevaarlijke periode: de Bersiap-tijd, een periode van geweld waarbij Indonesische extremisten aanvallen uitvoerden op Europeanen en Indo-Europeanen. De bevrijding uit het kamp betekende dus niet direct veiligheid.

Veel overlevenden van de jappenkampen keerden uiteindelijk terug naar Nederland, een land dat velen nauwelijks kenden. Ze kwamen aan in een land dat druk bezig was met zijn eigen wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en weinig aandacht had voor de oorlogservaringen in Indië. Decennialang spraken veel overlevenden niet of nauwelijks over wat ze hadden meegemaakt.

Herdenking van de jappenkampen

In Nederland wordt elk jaar op 15 augustus de slachtoffers van de Japanse bezetting herdacht. Die datum markeert de Japanse capitulatie in 1945. De nationale herdenking vindt plaats bij het Indisch Monument in Den Haag. Stichtingen zoals het Indisch Herinneringscentrum en musea als het Nationaal Oorlogs- en Verzetsmuseum bewaren de verhalen van kampoverlevenden en hun nakomelingen.

De ervaringen in de jappenkampen in Indonesië hebben generaties lang doorgewerkt. Veel kinderen van overlevenden herkennen bij hun ouders of grootouders de gevolgen: zwijgen over het verleden, moeite met autoriteit, angst voor schaarste. Pas de laatste decennia is er meer ruimte gekomen om over deze geschiedenis te spreken, en groeit ook de erkenning van wat deze mensen hebben doorgemaakt.