Indonesische bami is een gebakken noedelgerecht op basis van mie (eiermie), geurende kruiden en een mix van vlees en groenten. Het is een van de populairste Indonesische gerechten in Nederland en smaakt precies goed als je de juiste combinatie van ingrediënten gebruikt. Geen moeilijk recept, maar een paar details maken het verschil tussen een matige en een echt smaakvolle bami goreng.
De naam zegt het al: “bami” komt van het Chinese woord voor noedels, en “goreng” betekent gebakken in het Indonesisch. Dat bakken is precies de kern van dit gerecht. De noedels gaan niet in bouillon, maar worden geroerbakt op hoog vuur, zodat ze een licht krokant randje krijgen en de smaken goed in het noedel trekken.
De ingrediënten van een klassieke indonesische bami goreng
Voor vier personen heb je globaal het volgende nodig:
- 250 gram eiermie (droog gewicht)
- 125 gram spekreepjes
- 100 gram hamreepjes
- 2 uien
- 3 teentjes knoflook
- 1 prei
- 1 wortel
- 1 cm verse gemberwortel
- Ketjap manis (zoete sojasaus)
- Sambal oelek (naar smaak)
- Zonnebloem- of arachideolie
- Zout en peper
De combinatie van spek en ham geeft een diepe, hartige smaak. Wil je het vegetarisch maken, dan laat je het vlees weg en voeg je gebakken tofu of tempeh toe. Tempeh geeft een nootachtig karakter dat goed past bij de ketjap.
Zo maak je indonesische bami stap voor stap
Begin met het koken van de eiermie. Kook de noedels iets korter dan de verpakking aangeeft, zodat ze nog net stevig zijn. Ze gaan daarna nog de pan in, dus als je ze nu al te zacht kookt, worden ze papperig. Giet af en laat goed uitlekken. Schep er een klein beetje olie doorheen zodat ze niet aan elkaar kleven.
Snijd ondertussen de uien fijn, pers de knoflook, rasp de gember en snijd de prei en wortel in dunne reepjes. Hoe fijner je snijdt, hoe gelijkmatiger alles gaart en hoe beter de smaken verdeeld zitten door de bami.
Verhit een wok of grote koekenpan op hoog vuur. Voeg een scheut olie toe en bak het spek krokant. Voeg dan de ui, knoflook en gember toe en fruit een minuut of twee mee tot ze zacht en geurig zijn. Gooi de ham, prei en wortel erbij en roerbak alles op hoog vuur. Dat hoge vuur is niet optioneel: het zorgt voor het kenmerkende “wok-aroma”, ook wel wok hei genoemd.
Voeg daarna de mie toe en schep alles goed door elkaar. Breng op smaak met ketjap manis, een flinke scheut is normaal, en sambal naar eigen smaak. Proef tussendoor en pas aan. Sommige mensen voegen ook een eetlepel oestersaus toe voor extra diepte; dat is een kleine aanpassing die het resultaat duidelijk rijker maakt.
Veelgemaakte fouten bij het maken van bami goreng
De meest voorkomende fout is het gebruik van een te kleine pan op een te laag vuur. Dan gaat alles stomen in plaats van bakken en eindig je met slappe, vochtige noedels. Gebruik een wok als je die hebt, of anders de grootste koekenpan die je in huis hebt, en zet het vuur zo hoog mogelijk.
Een tweede valkuil is te veel ingrediënten tegelijk in de pan gooien. Als je te veel in één keer toevoegt, daalt de temperatuur te snel. Werk bij voorkeur in kleine porties en bak stapsgewijs. Het kost iets meer tijd, maar het resultaat is merkbaar beter.
Tot slot: te weinig ketjap is ook een veelgemaakte fout. Ketjap manis geeft de bami zijn typische zoet-hartige smaak en de donkere kleur. Wees er niet zuinig mee. Voeg het toe in stappen en proef tussendoor.
Wat serveer je erbij?
Indonesische bami is op zichzelf al een complete maaltijd, maar je kunt het goed aanvullen met een paar klassieke bijgerechten. Denk aan een gebakken ei bovenop, kroepoek, atjar (zoetzure groenten) of een kommetje satésaus. Een simpele komkommersalade met rijstazijn past er ook goed bij en snijdt door de rijkdom van de bami heen.
Bami goreng is een gerecht dat je makkelijk aanpast aan wat je in huis hebt. Geen prei? Gebruik bosui of witte kool. Geen ham? Garnalen of kip werken ook prima. Zolang je het op hoog vuur bakt, de noedels niet te gaar kookt en de ketjap niet vergeet, zit je altijd goed.


